Gisteren waren alle kindjes al naar huis om 17u en dus had ik nog een zee van tijd om mijn boodschappen te doen. Toen ik aan de supermarkt kwam stonden vijf jonge gasten aan de fietsenstalling samen een pakje nootjes te verorberen.
‘Ook een nootje mevrouw?’
‘Neen, dank je want dan kan ik straks geen patatjes meer eten.’
Toen ik een kwartier later buitenkwam stonden ze er nog steeds. Ze hadden veel plezier en waren vooral zeer luidruchtig. Maar het was een zonnige lentedag geweest en daar worden we allemaal wel uitbundig van. Plots werd het stil.
‘Mevrouw?’
‘Ik hoef nog steeds geen nootje, dank je.’
‘Die zijn al op maar ik wil wel eens weten hoe je die boodschappen allemaal gaat vervoeren met uw fiets.’
‘Dat gaat hoor, ik ben dat gewoon. Verleden week had ik nog meer bij.’
Ik begon met het inladen van de fietstassen. Daarin verdwenen vijf kilo appelsienen, twee kilo appels, twee grote trossen bananen, een kilo peren, een kilo kiwi’s en een kilo tomaten. Aan het stuur kwamen drie tassen met de rest van de boodschappen. In totaal was het een kleine achttien kilo (ik heb het nagerekend toen ik thuis was).
‘Zie je, een fluitje van een cent!’
‘En krijg je nu ook nog beweging in uw fiets?’
‘Dat is ook gemakkelijk want kijk, twintig meter verder gaat het fietspad een klein beetje bergaf. Daar stap ik op en dan moet ik zelfs niet trappen om te starten.’
Het is wel een geluk dat ik dan in een keer tot thuis kan fietsen zonder te moeten stoppen…
